De zes cellosuites van Bach zijn volgens velen de aller-allermooiste cellowerken die iemand ooit heeft geschreven. Maar klinken ze ook mooi op een ander instrument? Marimbaspeler Coen Dijkstra ging live in de uitzending van De Muziekfabriek de uitdaging aan en maakte een eigen versie van de 'Cellosuite nr. 1'.

Weg van die klassieke noten en op zoek naar een eigen, persoonlijk geluid: dat is de rubriek Vrij Spel van het NPO Radio 4-programma De Muziekfabriek. Presentatrice Jet Berkhout daagt elke week jonge musici uit om een klassiek stuk nieuw leven in te blazen. Zaterdag 30 maart 2019 was marimbaspeler Coen Dijkstra te gast in de studio. Op het programma: Bachs fantastische 'Cellosuite nr. 1'.

Imaginair polyfoon

Bach schreef de suites tussen 1717 en 1723, toen hij als Kapellmeister voor Leopold van Anhalt-Köthen werkte. De werken zijn ‘imaginair polyfoon’ - door het gebruik van akkoorden, arpeggio’s en een onder-en bovenstem lijkt het alsof er meerdere lijnen door elkaar lopen, terwijl de cello een eenstemmig instrument is. Hierdoor barsten de stukken van de emotie, variatie en interactie. Omdat Bach bijna geen aanwijzingen in de bladmuziek aanbracht, ben je als cellist zeer vrij in de uitvoering. Hierdoor is vrijwel geen één opname of uitvoering gelijk. 

Cellosuite nr. 1

De zes suites hebben geen vaste volgorde en zijn los van elkaar te spelen. Coen Dijkstra koos voor zijn marimbaversie voor de eerste suite: de ‘Suite No. 1 in G majeur, BWV 1007’. Het bekendste stuk uit dit werk is de prelude, die je ook veel in films terughoort. Het tweede menuet, een stuk uit het vijfde deel van de suite, bevat geen één heel akkoord, enkel gebroken akkoorden.

Deel dit artikel